Storm en verwoesting

In de nacht van donderdag 13 op vrijdag 14 januari 1916 raast een loeiende noordwesterstorm over Nederland. De voorgaande dagen heeft de harde wind grote massa’s Noordzeewater de Zuiderzee in geblazen. Het water stroomt bij eb nauwelijks terug. Vloed lijkt zich op vloed te stapelen. Erg gerust gaat men in Noord-Holland niet slapen.

Van Den Helder tot Durgerdam beuken de golven tegen de dijken. Die zijn door langdurige regenval in de voorafgaande weken al doorweekt.

Rond 1 uur ’s nachts. In Waterland constateren dijkwachten verzakkingen in de zeedijk bij De Nes, even ten noorden van Uitdam. Golven slaan over de kruin. Dat verzwakt de dijk aan de binnenkant. Krap 3 uur, even verderop, richting Monnickendam. Een ploeg merkt scheuren op in de dijk bij Zuiderwoude. Tot hun angst voelen de mannen de dijk heftig trillen en beven onder hun voeten. 03.30 uur. Er is geen houden meer aan. Het zeewater breekt door de dijk en slaat een gat van 9 meter diep.

04.15 uur. De dijk scheurt op drie plaatsen bij Katwoude, ten zuiden van Edam. De gaten hebben bij elkaar een lengte van 120 meter. Bij Zuiderwoude is de toestand al net zo hachelijk. Op beide plekken verzakken honderden meters dijk en kolk het water het achterland in.

Hetzelfde gebeurt in de Kop van Noord-Holland. Daar breekt vroeg in de morgen de Amsteldijk bij de Van Ewijcksluis. Als een waterval stroomt het zeewater 3 tot 4 meter lager de Anna Paulownapolder in. De bewoners hebben nauwelijks tijd om zich in veiligheid te brengen.

Op het eiland Marken bereikt de vloed om 5 uur ’s morgens de recordhoogte van bijna 3 meter. Het water golft over de lage kades, slaat in de haven vissersschepen van hun ankers en sleurt twintig huizen mee. Zestien eilandbewoners komen om. Onder de slachtoffers zijn zeven kinderen, de jongsten 1 en 3 jaar oud. De verwoesting is onbeschrijfelijk.

In Waterland stromen door de gaten in de dijken de verder gelegen diepe polders vol – drooggemaakte meren met een laagste punt 3 tot 4 meter onder zeeniveau. Tussen half 6 en half 8 in de morgen van 14 januari loopt de Belmermeer onder water. Om 10 uur is het de beurt aan de Broekermeerpolder. Het zoute water bereikt Broek in Waterland, Ilpendam en Purmerend en stroomt gestaag verder.
Voorbij Landsmeer bereikt het zondagmorgen het Luijendijkje bij Het Twiske. Dit dijkje had het Zuiderzeewater voor de Oostzaner polder moeten tegenhouden. Het dijkje houdt het niet. De polder loopt vol. De hele oostelijke Zaanstreek verandert in één watervlakte. Veel inwoners vluchten met achterlating van al hun bezittingen naar Zaandam.

Tussen Edam, Purmerend, Oostzaan en het IJ staat nu een gebied van ruim 14.000 ha onder water. Met de Anna Paulownapolder mee is een derde van Noord-Holland rampgebied. Als bij een wonder blijft het daarbij.
In Andijk, tussen Enkhuizen en Medemblik, voorkomen de bewoners in de stormnacht met zandzakken en grote dekzeilen op het nippertje een doorbraak van de zeedijk – onderdeel van de West-Friese Omringdijk. Was de dijk bezweken, dan was een groot deel van West-Friesland onder water gelopen. Een heldhaftige ploeg dorpelingen voorkomt ook een doorbraak van de dijk bij Durgerdam. De ringdijken van de Purmer en de Wijde Wormer houden het, ternauwernood.

Scholen, kerken en andere grote gebouwen worden ingericht voor de opvang van de stroom vluchtelingen. De hulp komt snel op gang. Militairen, deels gelegerd in de forten van de Stelling van Amsterdam, werken met man en macht aan de aanleg van kistdammen om het water te keren en uitbreiding van de overstromingen te voorkomen.

Maar op 17 en 18 februari raast opnieuw een noordwesterstorm over het rampgebied. Die maakte het herstelwerk van de voorafgaande weken op veel plaatsen in één klap ongedaan. Op diverse plaatsen bezwijken de noodwaterkeringen en bereikt het water pas nu zijn hoogste stand.
Het dieptepunt komt op 22 en 23 februari. De wind draait en er steekt een noordooster sneeuwstorm op. De harde wind en de hoge golfslag jagen met geweld bergen ronddrijvend wrakhout tegen de ondergelopen huizen achter de geteisterde Zuiderzeedijk. In dorpen als Buiksloot en Nieuwendam storten huizen, schuren en boerderijen alsnog in.

Behalve de zestien doden op Marken telt men in Noord-Holland nog eens zeker vijf doden als gevolg van de watersnood. Twee inwoonsters van de Anna Paulownapolder verdrinken in de storm van half februari. Op zee vallen minstens 30 slachtoffers. Tellingen van het aantal indirecte sterfgevallen door kou en ontberingen ontbreken. Uit diverse berichten is op de maken dat het om een aanzienlijk getal gaat.

Rond Ransdorp en Zuiderwoude en in diepe polders als de Belmermeer verdrinkt een groot deel van het vee. Op andere plaatsen weten de boeren hun koeien op tijd naar de hoger gelegen kerken te drijven. In de Anna Paulownapolder stroomt het water zo snel binnen dat vrijwel de hele veestapel verdrinkt.

Pas eind maart zijn de gaten in de dijken met zinkstukken en ladingen stortsteen gedicht. In april begint het wegpompen van zo’n 200 miljoen kubieke meter water. De diepste polders vallen pas in juni en begin juli droog.

De nood onder de getroffen bevolking en de gigantische materiële schade versnellen de besluitvorming rond de afsluiting en gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee. Minister Cornelis Lely heeft daar als jonge ingenieur al in 1891 een plan voor ontworpen. Het werk begint in 1920 en krijgt zijn bekroning op 28 mei 1932. Dan wordt het laatste stroomgat in de Afsluitdijk gedicht. De Zuiderzee is voorlopig getemd.

Carly Misset, september 2015

Bronnen
Aten, Diederik en Frouke Wieringa, De Waterwolf in Waterland. De overstroming van 1916 in Waterland en de Zaanstreek (Pirola Schoorl, januari 2015)

Moelker, H.P., De stormvloed in Waterland, januari 1916 (Alphen aan de Rijn 1985)

Veen, Egbert A., De overstrooming in Noord-Holland en elders, januari 1916 (Zaandam 1916)